“De status van Jerzalem is een van de meest gecompliceerde volkenrechtelijke problemen, niet in de laatste plaats door de ambivalente houding van de Verenigde Staten. Zo heeft de Senaat met de Jerusalem Embassy Act (10 mei 1995) Jeruzalem officieel tot ongedeelde hoofdstad van Israel verklaard, maar maakt de president stelselmatig gebruik van zijn recht op gebruik van een waiver om de eerste consequentie van die erkenning – het verplaatsen van de Amerikaanse ambassade van tel Aviv naar Jeruzalem niet ten uitvoer te hoeven brengen.
Tot 1967 was Jeruzalemn verdeeld in een oostelijk (Arabisch) en westelijk (Israelisch) deel. In datzelfde jaar bezette Israel oostelijk Jeruzalem tijdens de Zesdaagse Oorlog. Nederland heeft sinds 1967 het gezag van Israel over Oost-Jeruzalem weliswaar de facto, maar niet de jure erkend en volgt daarmee de lijn van de Verenigde Naties en de meeste lidstaten van de Europese Unie. De status van Jeruzalem vormt sinds de Zesdaagse Oorlog een splijtzwam in de vele vredesonderhandelingen. Stelt u zich eens voor dat er sinds 1950 een VN-politiemacht in Jeruzalem aanwezig was geweest als resultante van een vredesverdrag tussen beide landen. Het is niet onwaarschijnlijk dat dit tot een vorm van detente had geleid. Een naieve ‘what-if’-veronderstelling? Wellicht. Niettemin heeft Nederland in 1950 een reele oplossing voor het conflict in Jeruzalem in handen gehad, maar vanwege demarches van het Vaticaan bij o.a. het Ministerie van Buitenlandse Zaken en binnenlandse partijpolitieke overwegingen werd afgezien van steun aan het eigen voorstel. Een fraai voorbeeld van Roma locuta, causa finita.